Nachtelijke omzwervingen met een lijk

Schijnsel van flambouwen verlicht een processie-achtige stoet, die vanuit de verte nadert en de sereniteit van de duisternis doorbreekt. Flarden van geneuriede hymnen, geprevelde gebeden en sporadisch tromgeroffel kruipen mee omhoog langs de kale, rotsachtige heuvelruggen. De optocht bestaat uit monniken, wier gezichten verscholen gaan onder de dikke kappen van hun pij. In hun midden slepen ze een lijkkist met zich voort. De stoet wordt voorafgegaan door de koningin, die hen in een prachtvol gewaad de weg wijst door de nacht. Johanna de Waanzinnige (1479-1555) kon geen afstand doen van haar geliefde Philips de Schone, toen deze stierf in 1506. Alvorens men haar voor de rest van haar leven in een kloostertoren opsloot, zeulde zij geruime tijd het stoffelijk overschot van Philips met zich mee op nachtelijke zwerftochten door Castilië en León. Geregeld liet ze de stoet halt houden, om de kist te openen en haar gemaal te omhelzen en te kussen; of omdat het moment van zijn wederopstanding, zoals haar voorspeld was, nabij zou zijn. Ooggetuigen ontwaarden in de kist “niets dan de vage vorm van een liggend mens. Het was niet meer duidelijk te onderscheiden of het menselijke gelaatstrekken had”. Johanna nam Philips' gebalsemde lijk, waarvan het hart en de ingewanden in een urn naar zijn thuishaven Brussel waren getransporteerd, mee naar haar slaapvertrekken en liet daar voortdurend missen voor hem opvoeren en motetten zingen. Nadat ze was opgesloten in het Santa Clara-klooster in Tordesillas, leefde ze gedurende zesenveertig jaar in een uiterst sober vertrek met slechts één venster, dat uitzicht bood op de binnenplaats met het marmeren praalgraf van haar man.

Rage d'amours is een verhaal over liefde, dood en necrofilie. Het is een essay over passie; over een tragische liefde, die dermate onvoorwaardelijk en grenzeloos was, dat deze de dood trachtte te overwinnen door haar onvergankelijkheid. Hoewel het een gearrangeerd huwelijk betrof, was de relatie tussen Johanna en Philips van meet af aan uitermate stormachtig. Toen ze elkaar in oktober 1496 in Rijssel, het tegenwoordige Lille, voor het eerst zagen, was het liefde op het eerste gezicht. Volstrekt in tegenspraak met de geldende hoofse conventies, doken de twee zeventienjarigen nog voor de officiële huwelijksvoltrekking met elkaar het bed in. Het portret van Philips de Schone maakt op ons wellicht geen verpletterende indruk. Toch gold hij in zijn tijd als een absolute Adonis; een toonbeeld van schoonheid en elegantie, door heel Europa vermaard om de grandeur en pronkzucht van zijn entourage en de uitbundigheid van zijn feesten, die soms meerdere weken in beslag namen. Vanaf die eerste keer dat hun blikken elkaar troffen, raakte Johanna onder een zeer sterke zinnelijke bekoring, een alles verterend en dwangmatig verlangen om bij haar geliefde te zijn. Het was een gemoedstoestand die haar de rest van haar leven niet meer los zou laten. Het is daarentegen mogelijk dat Philips niet erg verrukt was over zijn bruid. Kroniekschrijvers omschrijven Johanna als een simplex foemina . Het was voor hem meer een gepassioneerde bevlieging voor een schuchter, onervaren meisje met donkere, Mediterrane ogen. Philips “nam het liefst iedere dag een jonge maagd” en “het minnekozen met vrouwen verschafte hem veel genoegen”, zo vertellen ons de kronieken. Tengevolge van Philips' overspelige natuur, gaf Johanna zich over aan woedende jaloezie-aanvallen, die werden afgewisseld met buien van sombere zwijgzaamheid, apathie en afzondering. Philips wist Johanna echter altijd in toom te houden door te dreigen zijn huwelijkse plichten niet langer te vervullen, een argument waar ze immer gevoelig voor bleek en haar deed zwichten. Nadat hij was overleden, kon hij haar niet langer ontsnappen en liet ze hem niet meer gaan.

Johanna de Waanzinnige was het derde kind van Isabel van Castilië en Ferdinand van Aragon, de Katholieke Koningen, die erin waren geslaagd om van Spanje een hechte natiestaat te maken. Door de dood van haar oudere broer en zuster, en hun nakomelingen, werd zij de troonopvolgster. Haar verbintenis met Philips de Schone, kind van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, had staatskundig gezien het doel om de macht van Frankrijk in de dammen en het aan drie zijden in te kapselen. Samen met de recentelijk door Columbus ontdekte overzeese gebiedsdelen, was een machtig en omvangrijk imperium ontstaan. Maar het zou Karel V pas zijn, in 1500 geboren in Gent en de tweede van de zes nakomelingen van Philips en Johanna, die ten volle het potentieel van dit domein zou beseffen en zich tot keizer liet kronen van het Heilige Roomse Rijk. Philips de Schone interesseerde zich in het geheel niet voor staatszaken. Wel was hij gevoelig voor de exorbitante banketten die de Franse koning voor hem aanrichtte als hij er op bezoek kwam. Deze politieke onoplettendheid was zijn schoonvader, Ferdinand van Aragon, een doorn in het oog. Hoewel het allerminst zeker is dat Philips een onnatuurlijke dood stierf, was Don Ferdinand een geboren intrigant. Hij was een sluwe vos, door Machiavelli geprezen als een groot en realistisch staatsman, wiens politieke rivalen vrijwel allemaal voortijdig aan hun einde kwamen door snode complotten, sluipmoord en vergiftiging. Veelbetekenend in dit opzicht is de brief die Philips de Schone enkele maanden voor zijn dood ontving van Philibert Naturel, zijn ambassadeur in Rome, waarin deze hem op het hart drukt om vooral niet bij zijn schoonvader te gaan eten. Rond diezelfde tijd werd Philips'voorproever, Bernard d'Orley, op onverklaarbare wijze grauwgroen van de ziekte en kwijnde langzaam weg. Het was wellicht een laatste waarschuwing van Ferdinand aan het adres van Philips om wat meer in het gareel te lopen.

“Het vocht liep uit de kist”, zo kwam mij als kleine jongen in sappig Rotterdams het verhaal ter ore over de teraardebestelling van mijn overgrootmoeder van moederszijde, eveneens Johanna geheten. Bij haar plotselinge dood in 1917, was de armoede in het Brabantse Grave dermate nijpend, dat er geen geld was om haar de Laatste Sacramenten toe te laten dienen en moest de begrafenisplechtigheid telkenmale worden uitgesteld. Het zal deze familiesaga zijn geweest, waardoor ik als schooljongen reeds een zekere fascinatie voor deze dolende koningin aan de dag legde. Nadat ik een aantal jaren geleden door een vriend geattendeerd werd op het uit 1940 daterende boek ‘Johanna de Waanzinnige' van Johan Brouwer, begon ik de potentie van het verhaal als onderwerp van een opera te beseffen. Ik maakte het begin van een zoektocht naar vorm en taal, wat resulteerde in Foemeneis Blandimentis Gaudebat , een voorstudie op de opera welke in november 2001 tijdens de Zaterdagmatinee werd uitgevoerd door Lucy Shelton en het Radio Kamerorkest. De muziek verklankt een nachtelijke omzwerving van Johanna met het lijk van Philips en is, in gewijzigde vorm, terecht gekomen in scène 7 van Rage d'Amours . Rond dezelfde tijd, werd ik door Anthony Fogg van het Boston Symphony Orchestra benaderd om een opera te maken voor het Tanglewood Music Centre, in augustus 2003. Men verlangde een stuk van een uur, dat zij aan zij zou staan met een nieuw werk van Osvaldo Golijov. Het waren de eerste operaopdrachten die door Boston verstrekt werden sinds Peter Grimes van Benjamin Britten, in 1947. Nadat ik op het kantoor van Fogg in een klein half uur ietwat nerveuzig mijn ideeën had uiteengezet, pauzeerde hij bedachtzaam, vouwde de handen ineen en baste :”Dead king, great idea.” En ik kon aan de slag.

Van onschatbare waarde bleek de uitgebreide literatuurlijst die zich achter in het boek van Brouwer bevond. Hierdoor kwam ik tal van zestiende-eeuwse bronnen, kronieken en briefwisselingen op het spoor die mij toegang tot de wereld van Johanna en Philips konden verschaffen. Mijn twijfels omtrent het taalgebruik en de manier waarop het libretto gestalte moest krijgen werden in één klap van tafel geveegd toen ik in de Universiteitsbibliotheek in Utrecht de Collection des voyages des souverains des Pays-Bas , van L.P. Gachard vond. In dit in 1888 in Brussel verschenen werk trof ik een anonieme kroniek aan over de tweede (en fatale) reis van Philips de Schone naar Spanje in 1506. In zwierig sprookjes-Frans wordt daarin geserreerd maar onverbloemd de turbulente relatie tussen Johanna en Philips, bij leven en dood, beschreven. De beeldende muzikaliteit van deze teksten deed mij besluiten om het gehele libretto uit historisch bronnenmateriaal op te bouwen en om deze bronnen in hun oorspronkelijke, onvertaalde staat te laten. Inspiratie bracht ook Petrus Martyr, vanaf 1487 de privédocent van Johanna en een vooraanstaand humanist van zijn tijd. In 1670 verscheen zijn Opus Epistolarum bij Simon Elzevier in Amsterdam, waarin onder meer de nachtelijke pelgrimages met Philips' stoffelijk overschot staan beschreven. In Juana la Loca (Madrid,1892) van Rodriguez Villa, trof ik een verzameling van oude Spaanse kronieken.

De brokstukken uit het verleden die me door deze bronnen werden aangereikt, heb ik vervlochten tot een libretto waarin een mozaïekachtig beeld van de ‘razernij der liefde' gegeven wordt. De historische feiten die tot mij spraken, overtroffen vaak mijn stoutste verwachtingen. Ik las over een bijna-ramp op zee, waarbij men een leren wijnzak aan Philips' rug bevestigt bij wijze van geïmproviseerd zwemvest. Terwijl hij in paniek een dramatische redevoering afsteekt, hangt men hem een bord met daarop El Rey Don Phelipe geschreven om. Mocht hij komen te verdrinken, dan kon men hem herkennen als hij ergens aanspoelde, zodat hij toch een deugdelijke begrafenis zou kunnen krijgen. Johanna blijft onderwijl uiterlijk onbewogen, onverschillig of ze zal sterven of overleven, omdat ze gelukkig is, samen met haar mooie echtgenoot. Daar in brieven en kronieken de handeling steeds in de verleden tijd beschreven wordt, moest ik de tekstfragmenten omzetten naar een actieve vorm, teneinde ze voor het theater geschikt te maken. ‘Cor evulsum', (zijn hart werd eruit gehaald), werd zodoende ‘cor evellimus' ( wij halen zijn hart eruit). Omdat ik twijfelde tussen verschillende versies die het verhaal naar een plausibel eindpunt zouden kunnen voeren, raadpleegde ik Hans Werner Henze, zoals ik dat vaker doe in muziektheatrale zaken. “Waarom geef je haar niet wat ze zo wanhopig graag wil, en laat hem herrijzen?”, suggereerde hij na een ochtendwandeling langs het Lago Albano. Een groter probleem vormde het vinden van geschikte dialogen tussen Philips en Johanna. Na een lange zoektocht, vond ik passend materiaal in de geëxalteerde lyriek van het Hooglied, wat de specifiek historische feiten ook in een meer universele context plaatst

De torenkamer, waar Johanna de Waanzinnige het grootste deel van haar leven in opsluiting doorbracht, heb ik gebruikt als vertrekpunt voor het libretto. Ik zie deze kerker als een metafoor voor haar hoofd, van daar uit start een reis door haar verbeelding, die naar de kern van haar extatische en obsessieve liefde voert. Als het ideale vervoermiddel voor deze reis, kwam als in een soort klankvisioen het beeld van drie sopranen op. Naast talrijke passages waarin de drie stemmen met elkaar verklonken zijn en tot één timbre versmelten, ontwikkelen ze gaandeweg ook meer specifieke solistische eigenschappen. Waar de eerste Johanna de meer zinnelijke en vleselijke aspecten van de liefde representeert, verklankt de tweede de liefde meer als een innerlijk geloof. Voor de derde Johanna staat het voortdurend in de nabijheid van Philips zijn centraal. Philips de Schone en Johanna de Waanzinnige waren beiden grote muziekliefhebbers en in hun omvangrijke hofkapel bevonden zich componisten als Pierre de la Rue en Agricola. Op weg naar het zuiden had Philips nog geprobeerd om Josquin des Prez af te snoepen van de Franse koning. Vaak, als Johanna zich in eenzame overpeinzingen in haar verduisterde vertrekken had afgezonderd, kon luitspel haar verpozing brengen. Hun affiniteit met muziek komt wellicht het best tot uiting in het fraaie koorboek dat in 1504 voor Philips en Johanna vervaardigd werd. Het is een staalkaart van de meest verfijnde renaissance-polyfonie van dat moment en de studie van het contrapunt hielp mij op weg een beeld van de klankwereld van Rage d'Amours te doen krijgen. Toch betreft het enige letterlijke citaat van muziek uit die tijd een fragment van Pierre de la Rue's Delicta Juventutis . Dit motet werd in september 1506 geschreven voor de begrafenis van Philips de Schone, een gelegenheid waar het telkens maar niet van kwam. Pierre de la Rue was een intimus van het koninklijke paar en werd door hen liefkozend ‘Pierchon' genoemd. Deze Pierchon neemt in Rage d'Amours de rol van verteller op zich.

In januari 2004 zat ik bij Pierre Audi op het kantoor en deelde hij me mee dat de Nederlandse Opera voornemens was om een nieuwe productie van Rage d'Amours uit te brengen. “Kun je het niet wat langer maken?”, was bij die gelegenheid zijn eerste vraag. Ik antwoordde dat ik dat wel al had overwogen, maar vond dat ik het wel langer, doch niet noodzakelijkerwijs beter kon maken. De proporties van het stuk voelen goed zoals ze zijn. “Heb je dan niet wat anders dat we kunnen ensceneren?” “Euh, tja…de McGonagall-Lieder ?”, was het enige dat me in vertwijfeling te binnen schoot. Nooit heb ik er bij het maken van de twee stukken bij stil gestaan dat ze op enigerlei wijze iets met elkaar te maken zouden kunnen hebben. Het was Guy Cassiers die me er op attendeerde dat ze beiden over een obsessieve, onverzadigbare liefde handelen. Bij de één betreft het de liefde voor een brug, bij de andere voor een persoon. In beide gevallen slaat het noodlot toe. Om de twee werken nog meer met elkaar te verbinden, maakte ik voor deze voorstellingen een nieuwe, driestemmige versie van de McGonagall-Lieder .

Onmetelijke dank ben ik verschuldigd aan Ellen Highstein, de directeur van het Tanglewood Music Centre, voor haar geduld en toewijding zonder welke Rage d'Amours niet tot stand gekomen zou zijn. Mijn dank gaat verder uit naar Rob van der Hilst, vriend en ambulante muziekencyclopedie, voor het aandragen van zoveel vruchtbare bronnen van inspiratie, naar Daniel Loayza voor zijn hulp met de oude talen, Pierre de la Rue-kenner prof. Wim Elders en naar Anthony Fiumara, die mij wegwijs maakte in Spaanse renaissancemuziek.

Rob Zuidam, mei 2005.