programmatoelichting Feu

In de nacht van 23 november 1654 begaf Blaise Pascal, de Parijse denker en uitvinder van onder meer de rekenmachine, zich per koets naar huis, toen de koetsier de bocht bij de Pont de Neuilly te scherp aansneed, waardoor de as van het voertuig brak en het kapseisde. Gedurende het korte ogenblik van zijn val, aanschouwde Pascal het Goddelijke Licht, maar raakte daarbij tevens bevreesd voor de oneindige ruimte die hem aan alle kanten omgaf, Alsof hij het kortstondige moment van zijn val uitvergrootte tot een oneindige, eeuwigdurende tuimeling in het niets.‘L es espaces infinis m'effraient! ' schreef hij in zijn Pensées . En het moet gezegd : De afgrond is overal, de kosmos dijt aan haar grenzen uit met een snelheid groter dan die van het licht.

Na dit voorval schreef Pascal een tekst die hem zo dierbaar was, dat hij het vel perkament in de panden van zijn jas naaide, zodat hij het altijd met zich mee zou dragen. Pas na zijn dood werd deze tekst, bij toeval, gevonden en raakte bekend onder de titel ‘Mémorial'. Het is deze tekst, waarin hij op onnavolgbaar pregnante wijze zijn gedachten neerlegt over wat hij de nietigheid (misère) en grootheid (grandeur) van de mens noemt, die aan de basis ligt van Feu.

De plaats van Pascal in de Franse wijsbegeerte wordt bepaald door zijn op het innerlijk leven gericht denken. Als zodanig staat hij tegenover René Descartes en diens rationalisme. Voor Pascal is de mens een mysterie, waarin het denken wel inzicht kan geven, maar dat nooit geheel in begrippen te vatten is.

“En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren ; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen ; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken” zo lezen we in Handelingen 2.

In Feu (Vuur) zijn het de tongen van de Bambuso Sonoro, het bamboeorgel van klankkunstenaar Hans van Koolwijk, die het huis met geweldige windvlagen en fluisterzachte murmeltonen vullen. Ze vormen een contrapunt met het koor, waarvan de vrouwenstemmen bij aanvang van het stuk boven, op de ‘Nonnengang', staan opgesteld. Vier baroktrombones en, incidenteel, het Dom-orgel, completeren het ensemble.

Bij het verlangen om vervuld te raken met de heilige Geest, kan muziek als een uitstekend vervoermiddel dienen. Garanderen kan ik uiteraard niets. En daarnaast zal de ervaring van dit fenomeen ook sterk gerelateerd zijn aan de reikwijdte van de verbeeldingswereld van de individuele toehoorder. Maar dit verlangen vormt wel degelijk de basis van waaruit Feu is ontstaan. Naast de viering van Pinksteren, vormde het 750-jarig bestaan van de Dom aanleiding voor de compositie. De Dom is naar mijn mening een schitterend gebouw, waarmee zowel God als de mensheid zich gelukkig mogen prijzen. In oktober vorig jaar kwam ik hier op een avond langs om een repetitie van de Domcantorij bij te wonen. Deze vond plaats in een zijruimte, waardoor de kerk zelf slechts spaarzaam was verlicht. De aanblik van de immense zuilenrijen, die naar boven toe in het schemerduister verdwenen, greep mij terstond aan, en vanaf dat ogenblik hebben de contouren van Feu zich in mijn verbeelding postgevat.

Het stuk is ook bedoeld om het idee van de Utrechtse Koorboeken weer nieuw leven in te blazen. Koorboeken bestonden uit een verzameling van composities die bestemd waren voor gebruik op locatie. Als er een belangwekkend componist of muzikant de stad aandeed, werd hem verzocht een bijdrage aan de Koorboeken te leveren, waardoor er na verloop van tijd een compendium ontstond dat en passant een goed beeld gaf van wat er in een bepaalde tijd speelde. De Koorboeken van Leiden en Den Bosch zijn bewaard gebleven en vormen schitterende bewijzen van deze muzikale rijkdom. Bij de Alteratie van de Dom, aan het eind van de 17 e eeuw, zijn de Utrechtse Koorboeken verloren gegaan. Sterker nog, de vellen perkament, met daarop unieke missen en motetten van een eeuwenomspannende schare toondichters, zijn als inpakpapier verkocht op de markt in Keulen. Moge de Nieuwe Utrechtse Koorboeken een beter lot beschoren zijn.

Rob Zuidam, mei 2004.

Feu is totstandgekomen met financiële ondersteuning van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en het Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst.